Al 25 jaar loopt Erik Siebel Imperium in en uit. De eerste jaren als speler en hoofd techniek. Nu als regisseur en schrijver. Hij bracht Prettige Feestdagen (2005), schreef en leidde Making L van de Lustrumdubbelproductie (2007). Samen met Bart Vieveen voerde hij de regie over Medea’s droom, (2006), dat de Kees Visserprijs won en het technisch hoogwaardige Thanatorium Shakespeare (2007). Als regisseur speelde hij ook mee in de ad hoc Zullen we het Liefde noemen, dat het tot de Engelenbak bracht. Alle ogen zijn gericht op de door hem geschreven en geregisseerde meiproductie Sansevieria’s.
Door Riekje Renes
Als elfjarige jongen mocht hij in plaats van zijn zieke broer mee naar de uitvoering van het jaarlijkse schooltoneel van het Lucas College. Ben Heuer, de vader van de bekende actrice Marlies, was de regisseur. “Volgend jaar wil ik daar staan” was zijn vaste voornemen. Hij stond er en sindsdien stond hij op vele podia en beheerste theater zijn leven. Kees Visser haalde hem naar Imperium. Hij kijkt met de meeste voldoening terug op de rol van George in Virginia Woolf, ook op het stuk zelf. Hij speelde in De dood en het meisje onder regie van Bart Vieveen, waarmee Imperium de Arend Hauerprijs van het landelijk amateur-circuit won. Daarin speelde ook Sheila Lever, die haar eigen Plantsoentheater oprichtte. Daar speelde hij Ad en Eef op oorlogspad, een variant op Virginia Woolf. Plantsoentheaterproducties spelen in een blok van twee maanden en dan vier keer per week. Je speelt dan uiteindelijk op een heel andere manier dan bij acht maal in Imperium. In het LAK speelde hij met Sheila het door Bart geproduceerde Anna en de wolvenman. Hij had er wel een jaar mee op tournee willen gaan. Vorig jaar stond hij op de planken van het LAK in De jongen met de zwavelstokjes, ook een Vieveen productie, waarin Jan Joost de muziek verzorgde. Hij vindt, dat hij in de loop van de jaren anders is gaan spelen. De dingen moeten er uit met “gewoon”zeggen en vertellen.
In het dagelijkse leven is hij locatieleider van de Leo Kannerschool, voornamelijk bezocht door autistische kinderen. Ook is hij de trotse vader van drie zonen. De paar maanden oude Toon bewonderde op schoot bij moeder Lidewij tijdens de repetitie al de toneellichten. Als Toon naar school gaat, overweegt hij een andere loopbaan.
Waar beleef je als zowel technicus, speler, schrijver en regisseur het meeste plezier aan?
Aan alles tegelijk. Ik heb geen voorkeur voor het één of het ander. Ik heb fases, periodes. Techniek heb ik als vriendendienst voor Onder mannen gedaan, verder doe ik dat zelden. Maar mijn kennis daarvan ondersteunt het denken over de vormgeving van mijn stuk. Ik help graag een handje, ook bij decor. Ik vind het bijvoorbeeld erg leuk om met Els naar de markt te gaan om stoffen uit te zoeken.
Wat inspireerde je tot het schrijven van Sansevieria’s?
In de eerste plaats de behoefte aan een goede komedie. Ik wilde bewust een humorstuk in Imperium. De meeste stukken die ik las, waren alleen geschreven om te lachen, maar misten een goed verhaal. Een stuk moet een verhaal vertellen. Personages moeten aan elkaar overgeleverd zijn, verplicht bij elkaar komen. Dat kan op een feest, een bruiloft. Maar ook bij een begrafenis. Je moet er komen, niet omdat de dood zo interessant is. Het is dus een dodelijke komedie geworden. Iets wat over de dood gaat, gaat tegelijk over het leven.
Wat is de kern van het stuk?
Het gaat over afscheid nemen. Hoe wil je dat er afscheid van je genomen wordt? Je bent bij je bruiloft, maar je bent nooit op je begrafenis. Net als bij bruiloften kan je tegenwoordig je hele begrafenis tot in de puntjes voorbereiden. Een thema voor de ceremonie, een eigen ontworpen, door de kleinkinderen geschilderde kist, afscheidscadeautjes voor de gasten zodat zij zich jou herinneren zoals jij dat wil… Maar, je zal er nooit zelf getuige van kunnen zijn. En stel je nou toch eens voor, dat dat wel zou kunnen. Dat je er wel bij zou kunnen zijn. Dat is eigenlijk waar het in Sansevieria’s om draait. Dat wil je wel eens beleven. Eigenlijk heeft het de zelfde thematiek als Thanatorium, maar met dramaturg Bart kom ik ergens anders uit.
Wat wil je het publiek doen ervaren?
Ik wil het publiek laten lachen. Dat mag ook een pijnlijke lach zijn. Lachen moet ergens tegenover staan. Tegenover een stukje eigen verdriet, een stukje herkenning. Mens zijn is bizar, het heeft zijn rustmomenten nodig om evenwicht te krijgen.. Het is associatief theater, maar niet ontoegankelijk. Mensen moeten op een andere manier durven kijken. Ga maar eens naar een dansvoorstelling, daar moet je het verhaal zelf in vullen. Ik hoop dat het publiek de behoefte aan een verhaallijn laat varen en zich aan de psychedelische morfinetrip van oma durft over te geven.
Hoe ligt de verhouding tekst – vormgeving?
De tekst is primair. Hoe wordt daar op gereageerd? In de vormgeving is het essentieel, dat het een bijzondere ruimte wordt met de juiste sfeer, maar verder is die niet zo bepalend. De muziek is dat wel, die moet een sleutelrol spelen en verhelderend werken.
Waar werk je aan in het repetitieproces?
Ik kijk wanneer iets wel werkt en wanneer niet. Komedie spelen is veel meer een technisch ding dan een hoogdravende tekst spelen. Het gaat vooral om de cadans, om de ritmes, om de timing. Ik ben als het ware aan het dirigeren. Ik heb als regisseur nog nooit zo dicht op mijn spelers gestaan. De speler in mij wil het laten zien, laten horen. Het verhaal moet tenslotte op de vloer verteld worden.
Heb je nog een slotopmerking?
Sansevieria’s doen het goed.
Waarbij u en ik maar moeten gissen of hij de planten in de vensterbank of de vrouwentongen in zijn stuk bedoeld. De beste manier om daar achter te komen is te gaan kijken. Het wordt beslist de moeite waard.